Dit hoofdstuk behandelt alle afspraken die te maken hebben met de salariëring. Allereerst vindt u de functie-indeling. Alle medewerkers in de branche zijn in te delen in bepaalde groepen. Artikel 4 beschrijft die groepen. In de salaristabellen die in artikel 5 zijn gegeven, zijn deze groepen terug te vinden. Met behulp van deze tabellen kunt u de basissalarissen bepalen. De tabellen worden gevolgd door de toeslagen waar medewerkers in bepaalde omstandigheden recht op hebben. U vindt op pagina 10 een toelichting op hoe u een berekening maakt.
Hoofdstuk 2 Functie-indeling en salariëring
Artikel 4. Omschrijving functie-indeling
Met ingang van 1 april 2010 is de volgende indeling in functiegroepen van toepassing.
Groep 0: aankomend medewerker
o Een werknemer die werkzaamheden van zeer eenvoudige aard verricht, volgens nauwkeurige instructies, op aanwijzing en/of onder directe leiding;
o een werknemer die een primaire opleiding leerlingwezen volgt.
Een nieuwe werknemer die voor het eerst een arbeidsovereenkomst met de werkgever aangaat, mag voor een periode van ten hoogste een jaar in deze groep worden ingedeeld. Na afloop van deze periode wordt de werknemer ingedeeld in functiegroep I of II, afhankelijk van de werkzaamheden die hij in het bedrijf zal verrichten.
Groep I: on- / laaggeschoolde medewerker
o Een werknemer die geen of nagenoeg geen vakopleiding heeft gevolgd en die werkzaamheden van zeer eenvoudige aard verricht, volgens nauwkeurige instructies, op aanwijzing en/of onder directe leiding;
o een werknemer die een primaire opleiding leerlingwezen volgt.
Met name worden werkzaamheden bedoeld als schoonmaken van de winkel en de bedrijfsruimtes, schoonmaken en op water zetten van bloemen, water geven van planten, bezorgen van bestellingen e.d.
Groep II: winkelverzorger/verkoper
Een werknemer die werkzaamheden van eenvoudige aard verricht, vaak onder directe leiding. Een werknemer die verkoopwerkzaamheden in de winkel uitvoert, waarmee bedoeld wordt werkzaamheden waarbij het contact met de klant belangrijk is, komt tenminste in Groep II. Dit met uitzondering van werknemers die de primaire opleiding leerlingstelsel volgen.
Groep III: tweede binder/verkoper
Een werknemer die werkzaamheden verricht waarvoor de nodige vak- en bedrijfskennis nodig is en die onder beperkt toezicht worden uitgevoerd. De werknemer is ook belast met het geven van leiding aan ten hoogste 3 medewerkers uit de groepen 0, I en II en/of de tijdelijke vervanging van (de) leidinggevende(n) uit hogere groepen of vervanging van de ondernemer.
Van tijdelijke vervanging is sprake als deze niet incidenteel is (zie ook artikel 7, pagina 11) en als die taken normaliter door betreffende leidinggevende of de ondernemer verricht worden.
Groep IV: eerste binder/arrangeur
Een werknemer die werkzaamheden verricht waarvoor veel vak- en bedrijfskennis nodig is en die zelfstandig worden uitgevoerd. Daarbij wordt leiding gegeven aan meer dan 3 medewerkers, ingedeeld in de groepen 0 t/m III.
Groep V: bedrijfsleider
Een werknemer die werkzaamheden verricht waarvoor bijzondere vak- en bedrijfskennis nodig is en die zelfstandig worden uitgevoerd en die tevens de feitelijke algemene leiding geeft aan een (filiaal)bedrijf.
Artikel 5. Salarissen
1. Vanaf 1 oktober 2009 gelden de schaalsalarissen zoals opgenomen in bijlage 3.
2. De salaristabellen zijn gebaseerd op de 36-urige werkweek.
3. Jeugdigen tot en met de 23e verjaardag krijgen jaarlijks een individuele salarisverhoging. De verhoging gaat in, in de maand die volgt op de maand waarin de verjaardag valt.
4. Werknemers vanaf 24 jaar krijgen per 1 januari een salarisverhoging op basis van functiejaren, mits het dienstverband tenminste één jaar, respectievelijk 2 of 3 jaar heeft geduurd.
5. Met ingang van 1 oktober 2010 wordt het feitelijke loon van de werknemer en de loonschalen 0 t/m 5 verhoogd met 1,4%. Zie bijlage 4 voor de loontabellen die gelden per 1 oktober 2010.
6. In december 2009 en december 2010 ontvangt de in dienst zijnde werknemer een éénmalige bruto uitkering van 0,7% berekend over het jaarsalaris (exclusief overwerk en vakantietoeslag). De werknemer die korter dan een jaar in dienst is ontvangt een éénmalige uitkering naar rato van de lengte van het dienstverband.
Artikel 6. Diplomapremie/ -toeslag
1. Bij het behalen van erkend vakdiploma) ontvangt de werknemer een premiebedrag ter grootte van € 275,- bruto. De procedure voor het verkrijgen van de diplomapremie is opgenomen in bijlage 2. Ook zal er een geactualiseerde lijst van vakopleidingen zijn opgesteld waarvoor een diplomapremie kan worden verkregen.
2. Als een werknemer een voor het bloemenvak relevant vakdiploma heeft, dan heeft hij recht op een diplomatoeslag. Deze toeslag is 2 procent van zijn brutosalaris.
3. De diploma’s waarvoor de toeslag geldt, zijn ingedeeld in 4 groepen, te weten groep II tot en met V. Diploma's geven alleen recht op een diplomatoeslag als het groepsnummer van het diploma hoger is dan het nummer van de functiegroep waarin de werknemer is ingedeeld.
4. Bij het aanvullend behalen van een volgend diploma uit een hogere groep heeft de werknemer recht op een aanvullende diplomatoeslag van 2 procent op zijn brutosalaris. Diplomatoeslagen kunnen zodoende cumuleren tot maximaal 8 procent, met inachtneming van lid 2 (mits de behaalde diploma´s kunnen worden voorgelegd).
5. De diplomatoeslag wordt voor de eerste keer uitgekeerd in de maand volgend op de maand waarin het bedoelde diploma werd behaald. De diplomatoeslag wordt alleen uitgekeerd nadat het rechtsgeldig bewijs aan de werkgever is overlegd.
Artikel 7. Functietoeslag
1. De werknemer die incidenteel en voor een periode langer dan 6 weken een werknemer uit een hogere functiegroep vervangt, heeft recht op een functietoeslag. Deze toeslag bedraagt 5% van zijn brutosalaris.
2. De toeslag wordt berekend over de totale periode van de vervanging.
Artikel 8. Vakantietoeslag
1. Een werknemer heeft recht op een vakantietoeslag van 8% van zijn basisloon. Onder het basisloon wordt verstaan: de geldelijke inkomsten uit hoofde van de dienstbetrekking. In het basisloon zijn niet inbegrepen:
a. verdiensten uit overwerk;
b. vakantiebijslagen;
c. winstuitkeringen;
d. uitkeringen bij bijzondere gelegenheden;
e. uitkeringen ingevolge aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen te ontvangen (bijvoorbeeld bij eventuele prestatie/ winstbonussen);
f. vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van noodzakelijke kosten, die de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking heeft te maken;
g. bijzondere vergoedingen voor kostwinners en gezinshoofden;
h. loon dat in geblokkeerde vorm wordt gespaard ingevolge een levensloopregeling of spaarloonregeling als bedoeld in artikel 34a, derde lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964;
i. eindejaarsuitkeringen.
2. De vakantietoeslag - zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel - wordt berekend over het basisloon dat is verdiend sinds de vorige vakantietoeslag is betaald.
3. De vakantietoeslag - zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel - wordt in de maand juni uitgekeerd.
4. Als de werknemer zijn aaneengesloten vakantie - zoals bedoeld in artikel 16 - vóór de maand juni opneemt, krijgt hij op zijn verzoek een deel van zijn vakantietoeslag uitgekeerd. Het betreft alleen dat deel, waarop hij op dat tijdstip aanspraak kan maken. Het resterende bedrag wordt in juni uitgekeerd. In dit geval is lid 3 van dit artikel niet van toepassing.
5. Bij beëindiging van de arbeidsverhouding wordt aan de werknemer het opgebouwde bedrag aan vakantietoeslag uitbetaald.
Het betreft dat deel waarop hij op dat tijdstip aanspraak kan maken, voor zover hem die niet eerder is uitbetaald.
Artikel 9. Jaarurenmodel
Ter bevordering van de kwaliteit van samenwerking tussen werkgevers en werknemers zal met ingang van 1 januari 2010 het jaarurenmodel worden gehanteerd, in lijn met een eerder uitgebrachte advies van de werkgroep van bloemisten en werknemers uit de branche. Doel is enerzijds een optimale afstemming van de inzet van medewerkers op momenten van pieken en dalen in productie en verkoop en anderzijds om voor medewerkers een betere afstemming tussen werk en privé mogelijk te maken. Er is sprake van een duidelijk wederzijds belang.
Het overeengekomen jaarurenmodel heeft de volgende kenmerken:
- Planning en opstellen van de roosters: in goed overleg tussen werkgever en werknemer wordt de planning opgesteld; idealiter geven de werkgever en de werknemer ruim van te voren (liefst voorafgaand aan het nieuwe jaarrooster maar minimaal 28 dagen van te voren) hun planningswensen en beschikbaarheid aan; minimaal 28 dagen van te voren kunnen vervolgens mutaties in het rooster worden doorgegeven.
- Referteperiode (periode waaraan de overurenverrekening in het jaarurenmodel wordt gerelateerd): 12 maanden, waarbij de ondernemer zelf kan bepalen of dit met het kalenderjaar samenvalt of dat deze periode bijvoorbeeld van 1 februari tot 31 januari van het volgende jaar loopt.
- Contract en salaris: medewerkers hebben een contractueel basisdienstverband met bijbehorende arbeidsuren en ontvangen een overeenkomstig maandelijks vast salaris; bij structurele afwijking van het werkelijke ten opzichte van de overeengekomen aantal uren, zal het arbeidscontract in overleg worden bijgesteld;
- Plus-/Minuren: plus- en minuren worden in principe verrekend in de vorm van tijd voor tijd, tenzij het gerealiseerde totaal aantal plus- of minuren op jaarbasis meer dan 20% afwijkt van het aantal in de arbeidsovereenkomst genoemd aantal uren per jaar. In dat geval worden deze plus-/minuren gewaardeerd (dus de uren boven de genoemde norm van 20%) tegen een tarief van 133,33% van het reguliere uurtarief. Als er na 12 maanden plusuren mochten zijn, kunnen deze of uitbetaald worden of als vrije uren worden meegenomen naar het volgende jaar. Minuren worden in overleg verwerkt in de planning voor het volgende jaar.
- Compensatie: genoemde compensatietoeslag wordt alleen gegeven op zon- en feestdagen en op werkdagen na 22.00 uur (toeslagen in dat geval conform de CAO 2007 - 2008). Hierdoor komen de overige huidige regelingen te vervallen. Een overzicht vindt u in onderstaande tabel.
Praktisch betekent dit dat er op jaarbasis 20% mag worden overgewerkt zonder extra toeslag (met uitzondering van werken op werkdagen na 22.00 uur en op zon- en feestdagen). Wordt er op jaarbasis meer dan 20% overgewerkt, dan geldt een toeslag van 33,33%. Door goed en in onderling overleg te plannen kan overwerk (en dus meerkosten) zoveel mogelijk worden voorkomen.
